ICK AMSTERDAM BLOG

Double Skin/Double Mind #3: Dansen denken (Penser danser)
— November 29, 2018

Notities over het werk van Emio Greco | Pieter C. Scholten (EG | PC)

An article by Sybrandt van Keulen

Voorwoord: interne logica


Stap voor stap — en pas voor pas —ben ik zowel theoretisch als praktisch (onder meer door het volgen van de Double Skin/Double Mind workshop) begonnen in te zien hoe ik het begrip ‘beweging’ in de methode van EG | PC zou kunnen benaderen — dat wil zeggen, wat het dansen van EG | PC voor mijn denken kan betekenen — en vooral hoe belangrijk daarbij een bepaalde logica is: “There is a structure in the movement, there is a logic… an ‘internal logic’”.[1] Voor meer inzicht in die logica heb ik me voornamelijk beziggehouden met de interviews zoals te lezen in het Inside Movement Knowledge (IMK) Documentatie Model en, deze losjes vervlechtend met mijn herinneringen, heb ik ook de gesprekken met en de DS/DM lessen van Suzan Tunca in deze notities verwerkt.[2] Om een verband te kunnen leggen tussen deze recente en vroegere denk-ervaringen leek het mij verhelderend om citaten uit het werk van Freud, Hegel en Derrida in te voegen.

Drie van de zeven noodzakelijkheden


Aanknopend bij drie van de zeven noodzakelijkheden (necessities[3]) die EG | PC hebben geformuleerd, zoek ik een spoor dat als een getwijnde draad die verschillende inspiratiebronnen op een mijn eigenste manier verbindt. De eerste noodzaak of urgentie van EG | PC, een noodzaak die mij aan het denken heeft gezet, kan je een principe noemen, een stelling die het lichaam als een explorerende kracht aanwijst:

Il faut que je vous dise que mon corps est curieux de tout et moi: je suis mon corps.

It is necessary for me to tell you that my body is curious about everything and I am my body.[4]

Dit is een uitspraak over een somatische, emotieve of misschien zelfs een erogene grondhouding — de verwoording van een oerdrift, een “driving force”.[5] Ik heb die force ervaren in meditaties, afgewisseld door intensieve oefeningen, stadia van rust en inspanning, geconcentreerd op het lichaam als een bundeling van samentrekkende en uitrekkende weefsels, een verzameling van verbindende en ontbindende pulsen, min of meer samen te vatten als — om een woord van Derrida te gebruiken — non-positionele levens- en doodsdriften. Ik kom hier nog uitgebreider op terug. Wat betreft die interne logica, heb ik ervaren dat die betrekking heeft op elke oefening, beweging, dans- en denkpas, en dat die logica in eerste instantie lichamelijk moet worden gedacht: een logica van pulsatie of ademhaling, waarvan het lichaam onwillekeurig doordrongen is, waardoor elke vezel wordt (aan)gedreven.

Life


Er is van meet af aan sprake van een oer-spanning die EG | PC formuleren als een visie op het (westerse) menselijke leven: ‘We are programmed to aspire to unification, in the knowledge that we shall never accomplish it. Such is life’ (mijn curs.).[6]

           Ik heb dat ‘life’ beleefd als een beweging die het lichaam van de danser bijna als een coup de dés, als het gooien van een dobbelsteen,werpt, wegwerpt, en die — uiteindelijk — de dans ont-werpt. De spanning van de ‘driving force’ is niet eenduidig: tijdens een dansles ontvouwt die interne logica van de beweging zich in de gelijktijdigheid van dat ‘geprogrammeerd-zijn’ om te streven naar vereniging, met de minstens zo krachtige drijfveer, de kennis of het inzicht (knowledge) van de onmogelijkheid — “we shall never” — om diezelfde vereniging te volbrengen. Naar mijn beleving spelen zo tenminste twee krachten — denk- en verbeeldingskrachten — met elkaar en door elkaar heen, zowel in het lichaam van de individuele danser als tussen de dansers onderling.

Op het ene moment wordt de danser gedreven door de (geprogrammeerde) drang om te verenigen/af te sluiten, en tegelijkertijd, of in een fractie van een ander moment, wordt de danser gedreven om elke toestand van vereniging en afsluiting open of af te breken en weer om te zetten in een worden. Je kan deze krachten ook, naar de spel-observatie van een kind in Freuds artikel Jenseits des Lustprinzips (Beyond the Pleasure Principle), aanduiden als een reeks o-driften (Fort) en a-driften (Da).

Eerste kindkracht (Freud)

Freud vertelt in dat artikel over zijn waarnemingen van een kind opgaand in zijn spel met een houten klosje aan een koord. Het kind werpt afwisselend het klosje weg en trekt het door middel van dat koord naar zich toe. Elke keer als het kind het klosje wegwerpt zegt het ‘Fort’ en elke keer als het het klosje naar zich toetrekt zegt het ‘Da’. Om de relatie met de dans(er) te kunnen leggen, is het nodig om dat kind te begrijpen als de ‘kindkracht’ van de danser die zichzelf of iets van zichzelf wegwerpt of zelf door anderen wordt weggeworpen (Fort) en zich weer verbindt of door anderen verbonden wordt (Da).  

Non-positionele structuur


Tussen de ‘interne logica’ van EG | PC en de kindkracht van Freud kan een intern verband worden gezien als we met Derrida de “non-positionele structuur” en een “a-thetisch functioneren” van Freuds a- en o-driften vertalen naar het ‘corps’ van de dans(ers). Derrida stelt het volgende voor:

Je voudrais donner à lire la structure non positionnelle de Au-delà …, son fonctionnement a-thétique.

I would like to make legible the non-positional structure of Beyond (…), its a-thetic functioning”.[7]

 Dit non-positionelespel tussen de o-driften (Fort) en a-driften (Da) kan naar de dansvloer worden vertaald als de non-positionele structuur van het ‘corps’ van de dans(ers). Er vinden geconcentreerde en tegelijk turbulente, uitstotende bewegingen plaats van een ‘language of the flesh’.[8] Het non-positionele kan je als een soort oer-stromen waarnemen, maar tegelijk onttrekt dat pulseren zich vermoedelijk ook aan het toeschouwende oog omdat het gaat om een proces of verloop waarbij de krachtbron, het ‘corps’ van de danser en de dans niet vanuit één positie of plaats (‘these’) is waar te nemen, en in die zin a-thetisch is: de interne logica is geen chrono-logica, en evenmin een beweging die terugkeert bij zijn uitgangspunt. Het begin en einde zijn niet van tevoren uit te rekenen, en niet voorspelbaar. De danser (als ‘corps’) danst een dans, maar ook: de dans (als ‘corps’) danst de danser — in een niet-noodzakelijke volgorde van o- en a-bewegingsmomenten, dat wil zeggen een niet (chrono)logische, a-thetische relatie tussen verbindende en ontbindende pulsen, schakels, morsetekens of een langgerekte flow, etc., bijvoorbeeld zo:

ao ….. oa ….. o…o..a …. ooo …. a .. a .. o.. oaoaoao …. a … o … a … oooooo …. aaaa…

……o……….aaa……… oaoaaaa … oo…….oo …aa .. oo ….a…aaao…aa.. ……..oo….. a

Force of the mind


Het a-thetisch functioneren van krachtige dans- en denkbewegingen — schokken van toe- en afwending, van uit- en in-elkaar gaan — kan ik nog iets verder analyseren met behulp van een citaat uit Hegels esthetica. Als ik me richt op de eerste driving force — samen te vatten in de uitspraak van ‘desire of oneness is the driving force’[9] — dan dient zich een overeenkomst aan tussen deze force/noodzaak en een speculatief beginsel van Hegel, dat hij in zijn esthetica als volgt formuleert:

[D]e kracht (the force) van de denkende geest (mind) is daarin gelegen dat hij zeker niet alleen zichzelf in zijn specifieke vorm van denken vat, maar evenzeer zichzelf in zijn veruitwendiging in gewaarwording en zintuiglijkheid weer herkent en zichzelf in het andere van zichzelf begrijpt, doordat hij het vervreemde in gedachten transformeert en het zo tot zichzelf herleidt.[10]

Met deze zin in gedachte kan je de kindkracht van de danser min of meer aflezen aan het a-thetisch functioneren in de dans waarin hij zich tot zijn ‘corps’ en dat van anderen verhoudt in een (golf)beweging van transformatie, georiënteerd op ‘oneness’. Deze ‘driving force’ is echter slechts een deel volgens de visie van EG | PC, want we zijn/worden ook gedreven door een force (een stromen) die maakt dat we die ‘unification’, dat wil in Hegels termen zeggen: die ‘herleiding tot ons zelf’ nooit kunnen voltooien. Of anders gezegd, in een dubbele affirmatie: de danser wordt gedreven door een ‘desire of oneness’ en tegelijk door een andere kracht, een aangetrokken worden door het andere — anders dan het ene —, een onmogelijkheid totvoltooiendverenigengedreven om over elke grens van eenheid heen te gaan, oneindig te stromen — een vloeiende dan wel hoekige kracht die streeft naar en breekt met elk verlangen tot ‘unification’. De interne logica van deze cocktail van twee absolute verlangens laat zich niet puur indelen in respectievelijke a- en o-momenten. Er is ook geen sprake van een analogie, alsof een a-drift (Da) analoog zou zijn aan een unificatiemoment, en een o-drift (Fort) analoog aan een brekend moment: de force van Fort kan evenzeer het effect hebben van een wegwerpen van het ‘corps’ als het (ver)werpen van het lichaam van een ander. De kracht van ‘Da’ kan een ‘oneness’ teweegbrengen, een corps van de dans, die het corps van de individuele danser negeert.

Tweede kindkracht (Hegel)


Om de gedachte van ‘kindkracht’, door Freud uitgesplitst in a- en o-driften, op een andere manier uit te werken in relatie tot de methode van Double Skin/Double Mind, dient zich de vergelijking aan met een ander kind uit een andere tijd: vooral het creatief-unificerende moment van de opheffing (Aufhebung) van andersheid kan veelvuldig getraceerd worden in Hegels denken, het creatief-(ver)werpende moment is daarentegen niet zo eenvoudig bij hem te onderscheiden. Een beroemde zin, waarin Hegel die werpende kracht het best uitdrukt is een spel-scène:

[D]e jongen werpt stenen in de rivier en bewondert dan de kringen die zich in het water vormen als een werk, waarmee hij inzicht krijgt in zijn eigen wezen.[11]

 Die ‘jongen’ bewondert de zich in het water concentrisch voortplantende kringen die ontstaan door toedoen van zijn eigen vermogen, en volgens Hegel krijgt hij in deze vorm van praktische reflectie inzicht in ‘zijn eigen wezen’. Als deze ‘jongen’ nu vergeleken wordt met het kind van Freud, is het eerste dat opvalt dat Hegel het kind in zijn afzondering observeert als een ‘wezen’ dat op zijn eigen resultaat is gericht (‘een werk’). Het kind van Freud werpt ook, maar zijn ‘wezen’ is niet gericht op ‘een werk’. Zijn ‘wezen’ gaat als een soort gespannen katapult vooraf aan de projecterende Fort-beweging en volgt als een lusteffect uit de naar zich toe trekkende Da-beweging. De bron van Freuds kindkracht is door en door afgeleid uit zijn verlangen tot de ander (het ‘klosje’ als object van verlangen). Hegels ‘kindkracht’ wordt enerzijds gekenmerkt door een werk-georiënteerde spil en anderzijds door een uiterlijk gesitueerd zijn ten opzichte van de natuur: het kind bevindt zich als een spil tussen de stromende rivier en de stenen aan de oever, stenen die waarschijnlijk door diezelfde rivier als sedimenten zijn aangevoerd. Het kind voegt door zijn werpen, in Hegels visie, de toevallig gevonden stenen en het voorbij stromende water zodanig samen dat er een wezenlijk zelf-beeld ontstaat: het handelende wezen als spil-centrum van kracht.

           De ‘kindkracht’ van de danser kan nu vanuit het voorgaande begrepen worden als gesitueerd in beide: een spil of centrum dat niet afgezonderd aan de oever staat, maar tegelijk werpend en geworpen deel uitmaakt van een stroom van a- en o-driften. Het besef deel uit te maken van die stroom in en door de dans, maakt het dansen tot een gebeuren, een worden, dat niet zijn eigen logica ontleent aan ‘een werk’ als doel. Dat werk — de uiteindelijke dansvoorstelling — is een momentopname van een ‘corps’, een (on)mogelijke, stromende, eenheid van ‘lichamen’.

De tweede noodzaak


Met de op deze manier dubbel begrepen bron van ‘kindkracht’ kan nu ook een verband gelegd worden met een andere noodzaak van EG | PC. Daartoe moeten we de uiterlijkheid van Freuds ‘houten klosje’ en Hegels ‘steen’ nog een keer omzetten naar de dubbele uit- en inwendigheid van ‘het lichaam’, uitgedrukt in de tweedenoodzaak:

Il faut que je vous dise que mon corps m’échappe.

It is necessary for me to tell you that my body escapes me.[12]

Mijn lichaam tref ik niet zo aan en kan ik niet zo vinden als een klosje aan een touwtje of een steen aan een oever. Cruciaal voor de dansmethode is nu wellicht, dat de vervreemding van het projecteren van a- en o-driften in ruimte en tijd, met en in een stroom, door het ‘corps’ van de individuele danser heen gaat. Daardoor wordt een beweging van werpen en geworpen-worden ontketend, als noodzakelijke voorwaarde voor het ‘corps’ van de dans. Ik heb een fractie daarvan ervaren tijdens een oefening om mijn voeten ‘weg te werpen’. Een danser kan in dit wegwerpen vermoedelijk deze ervaring nog verder doormaken en doorwerken omdat zij al haar lichaamsdelen, haar hele lichaam, van haar ‘wezen’ kan losmaken, wegwerpen, begeleidt door gedachten en verbeeldingskracht als bronnen van projectieve inzet, en met het gevoel als effect, dat haar (hele) lichaam niet van haar is (m’échappe). Zelfs de dans is geen centraal ‘wezen’: ook de ‘dans’ wordt geworpen-ontworpen door een dubbele (on)mogelijke kracht (absolute eenheid, absolute andersheid). Een oer-spanning die je kan herformuleren als een stroom door de tijd heen: ‘ik zal een ‘corps’ geweest zijn’. Dit affirmerend-negerende moment wordt in en door de dans gerelateerd aan een unificerend moment: ‘je suis mon corps’ (ik ben mijn lichaam). De volgorde en kracht van deze wezenlijke momenten is niet nader te bepalen, het kunnen beide, zelfs gemengde, effecten zijn van a- en o-driften. Dit ik, van ik-ben-en-ik-zal-geweest zijn, moet op een of andere wijze in zijn/haar oer-wezen dubbel zijn, en même temps(at the same time), een individueel ‘corps’ en ‘mon corps de danse’ (mijn danslichaam).

image

Derde noodzaak


Rest mij ter afsluiting van deze notities een aantal vragen te stellen over dit ‘ik’. Hoe werkt dit ‘ik’? Voor een antwoord zal ik eerst dat ‘ik’ van ‘mon corps’ moeten vinden…. Als ik de uitdrukking ‘corps de ballet’ als uitgangspunt neem en transformeer in ‘corps de danse’, is dit ‘ik’ niet alleen een individu. Anderzijds maakt het ‘corps’ van een afzonderlijk individu niet logischerwijze deel uit van het geheel van ‘mon corps de danse’. Ik moet dus zeggen: het mon van mon corps m’échappe tout court.

           Als het ‘ik’ geen spil of centrum is staand aan een oever, waar vind ik het dan? Was het er al voordat ‘ik’ mijzelf vond? Wanneer dan? Wanneer is ‘mon corps’ geworpen, of wanneer wordt mijn ‘corps’ mij toegeworpen? Vraagtekens in stromend water: vragen die ik hier onbeantwoord moet laten (in reflectie op Derrida ’s tekst over Antonin Artaud, Forcener le Sujectile zou daar meer over te zeggen zijn).

           De eerste vraag die ik in deze alinea stelde, over ‘hoe’ dat ‘ik’ werkt, kan ik provisorisch verbinden aan een ‘ik’ dat uitgesplitst is in twee activiteiten die door EG | PC worden onderscheiden in een derde noodzaak:

Il faut que je vous dise que je peux contrôler mon corps et en même temps jouer avec lui.

It is necessary for me to tell you that I can control my body and play with it at the same time.

 Controleren (contrôler) en spelen (jouer). Twee functies van een ‘ik kan’ (je peux). Het draait waarschijnlijk niet om twee ikken maar — in het verlengde van het voorgaande — om een kindkracht dat a-thetisch functioneert: ik kan ‘mon corps’ controleren en ik kan met ‘mon corps’ spelen: het sturen en laten gaan. Wat je over dit ‘I can control’ moet zeggen, is dat het niet anders dan doordrongen is van die interne non-positionele logica van een onmogelijk tot zichzelf te herleiden force. Deze ‘I can’ is niet een centraal ego maar eerder een zelf als een grens: de huid van ‘mon corps’. Een ‘corps’ met meer dan één centrum: het kan elliptisch (actief) controlerend zijn en spelend zich (onder)werpen, dat wil zeggen, het kan tegelijk (passief) ontvankelijk, en stuwend (sturend) zijn. Een huid-wezen dat als actief centrum kan openbreken, met zichzelf kan breken, zich kan laten gaan, zich kan overgeven aan, zich kan werpen in een andere huid, een stroom. Huid als afscherming van ‘mon corps’ en huid als orgaan dat los kan laten. Het ‘mon’ is het omhulsel van ‘mon corps’, de poreuze huid van een individu en tegelijkertijd het omhulsel van het ‘corps de danse’, haar ‘wezen’.

Sybrandt van Keulen (1955) doceert sinds 1998 esthetica, metafysica en filosofie van de kunst aan de Universiteit van Amsterdam. Tevens is hij als supervisor verbonden aan PhdArts (Universiteit Leiden en KABK te den Haag) en was hij werkzaam als docent filosofie aan de Jan van Eyck Academie. In 2004 promoveerde hij aan de Universiteit van Amsterdam op het proefschrift Kosmopolitieken van Kant, Lévi-Strauss en Derrida. Deconstructies van het filosofische en antropologische kosmopolitisme. In 2014 verscheen onder zijn redactie Hoe kunst en filosofie werken bij Boom, Amsterdam.

[1] IMK Documentation Model, Gaby Wijers, Annet Dekker en Vivian van Saaze, resp. 23 en 26.

[2] Bij deze wil ik Suzan Tunca bedanken voor haar uitnodiging om iets te schrijven over mijn fysieke ervaringen en theoretische inzichten die ik in gesprek met haar en door haar dansles heb opgedaan. Suzan Tunca heeft tussen 2005-2013 met eg|pc gedanst en is tegenwoordig verantwoordelijk voor onderzoek romdom dans notatie, documentatie en kennisoverdracht bij ICK.

[3] IMK Documentation Model, 25.

[4] Ibidem. 25.

[5] Ibidem, 27.

[6] IMK Documentation Model, p. 27.

[7] Jacques Derrida, La Carte Postale. De Socrate à Freud et au-delà, Paris: Flammarion 1980, p. 279. The Postcard. From Socrates to Freud and Beyond, translated, with an Introduction and Additional Notes, by Alan Bass, The University of Chicago Press 1987, 261.

[8] INTUITIVE BODY RESEARCH PHASE II, 2018 ICK Amsterdam Research.

[9] Ibidem.

[10] Georg Wilhelm Friedrich Hegel, Over de esthetiek, Boom 2017, 26.

[11] Hegel, 54.

[12] IMK Documentation Model25.

Foto 1: Emio Greco in ONE van EG | PC © www.vikingphoto.fr
Foto 2: DS/DM workshop  ©  Stefan Rustenburg
Foto 3: DS/DM installation  ©Thomas Lenden

— Article written by ICK Amsterdam

0 Comments

Submit a Comment

Your email address will not be published. Required fields are marked *